Miskenning
maandag, 15 oktober 2007
Gerard Jansen, Directeur Almere Kennisstad
“Overschat niet wat je in 1 jaar kan doen, maar onderschat niet wat je in 10 jaar kan bereiken.”
Op 20 september 2007 heeft de Rekenkamer van Almere het eindrapport “De balans van Kennisstad Almere” gepresenteerd aan de gemeenteraad van Almere. In dit rapport wordt het beleid om Almere als kennisstad te ontwikkelen en te profileren kritisch onder de loep genomen. Hoewel het onderzoek tot genuanceerde conclusies en aanbevelingen leidt over dit breed ingezet beleid, is in de publiciteit en in uitlatingen van een aantal gemeenteraadsleden de discussie jammerlijk versmald tot de Stichting Almere Kennisstad; het vehikel dat medio 2003 is ingesteld om innovatieve projecten te stimuleren.
Kennisstad Almere is de afgelopen jaren het dragend begrip geworden voor een breed programma dat de ICT-sector als prominent speerpunt en één van de kansrijke marktsegmenten tot ontwikkeling moet brengen. De Rekenkamer heeft daarbij het beleid om tot aantrekken van de op ICT gerichte bedrijvigheid en het hoger onderwijs in Almere te komen nadrukkelijk betrokken.
Onder de vlag van Kennisstad Almere zijn in de eerste jaren van deze eeuw projecten gestart die een stimulans moesten geven aan de ontwikkeling van het marktsegment en aan de ICT-infrastructuur van Almere. Projecten die nadrukkelijk in samenwerking met marktpartijen vorm moesten krijgen en waarbij innovatie en het stimuleren en verspreiden van het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën in de belangrijkste sectoren van de samenleving voorop stonden. Concreet betrof het de werkvelden Wonen, Werken & Leren en Welzijn. Voor de initiatie van een aantal van die projecten en activiteiten is in 2003 het vehikel van de stichting Almere Kennisstad opgericht. Binnen het Algemeen Bestuur van de stichting hadden zowel private als publieke partijen zitting.
Inherent aan innovatie is dat daarbij risico’s worden genomen en succes op voorhand niet kan worden gegarandeerd. Als nu het beeld is dat de stichting deze projecten met wisselend succes tot ontwikkeling heeft gebracht en heeft doen uitvoeren, dan valt daarmee te leven en van te leren.
Kennisstad Almere is in de afgelopen jaren niet alleen een symbool en in zekere zin de verpersoonlijking geworden voor de ontwikkeling van de ICT-sector, maar ook voor de economische ontwikkeling in het algemeen. Ten onrechte, want de economie van Almere heeft zich in de afgelopen jaren zeer breed ontwikkeld en het merk ‘Kennisstad’ doet daaraan niet voldoende recht. Maar dat de ICT-sector aan de economische groei en werkgelegenheid heeft bijgedragen is onmiskenbaar. De Rekenkamer is echter kritisch over de behaalde resultaten in verhouding tot de ingezette middelen. Die kritiek betreft het totale beleid dat onder de noemer van Kennisstad Almere is gebracht en niet slechts de (beperkte) selectie van projecten die door ondersteuning van de stichting zijn uitgevoerd.
Het is daarom dat de stichting zich miskent voelt in de publiciteit en in uitlatingen van een aantal raadsleden. Het college van B&W heeft zich inmiddels op het standpunt gesteld dat het beleid Kennisstad Almere onverkort, maar met meer (economische) focus en massa, moet worden voortgezet. Daarbij moet niet worden blind gestaard op de korte termijn resultaten en effecten, maar meer aandacht gegeven worden aan de resultaten en effecten op langere termijn. De aankondiging van KPN en Reggefiber om Almere binnen 2 ½ jaar te voorzien van glasvezelverbindingen naar alle woningen moet als zo’n lange termijn resultaat worden gezien. Zo zijn er meer wapenfeiten te benoemen van langjarig volgehouden inspanningen (denk aan het succes van SARA, het in aanbouw zijnde datahotel, de kostenbesparende ICT-infrastructuur van het onderwijs, het afsprakensysteem voor de poliklinieken van het Flevoziekenhuis, de groei van de ICT-bedrijven als UNET en dergelijke). Deze zaken zijn buiten de beoordeling van de Rekenkamer gebleven en dat maakt met de beperkte selectie van de onderzochte projecten de waarde van het onderzoek betrekkelijk.
Niettemin worden de aanbevelingen van de Rekenkamer door onze stichting ter harte genomen, voor zover inmiddels al niet gehandeld is in lijn met deze aanbevelingen op het punt van aanpassing van de organisatie en de selectie van betekenisvolle projecten. De stichting gaat ervan uit dat het goede werk kan worden voortgezet tot en met tenminste 2010 en zal er alles aan doen om in haar missie “Werk maken van Kennis” te slagen. Wij worden daarbij – net als in het verleden – graag beoordeeld op het geheel van onze inspanningen en resultaten en de (langere termijn) effecten die dat teweeg brengt.